Als Emergency First Response® (EFR®) Instructor is het ondermeer je taak om waar nodig extra uitleg te geven over veelvoorkomende aandoeningen. Zo help je deelnemers symptomen te herkennen en passende hulp te verlenen. De eerste hulp door hulpverleners bij epileptische aanvallen is belangrijk: het kan letsel voorkomen, paniek verminderen en zelfs levens redden. Wanneer je de hulpdiensten moet bellen, hangt af van de omstandigheden.


Wat is epilepsie?

Epilepsie is een van de meest voorkomende chronische hersenaandoeningen. Wereldwijd hebben ongeveer 50 miljoen mensen in alle leeftijdscategorieën epilepsie, maar vooral jonge kinderen en oudere volwassenen.

De aandoening wordt gekenmerkt door terugkerende aanvallen die ontstaan door overmatige elektrische activiteit in de hersenen, waardoor de normale hersenfunctie tijdelijk wordt verstoord. Een aanval is een plotselinge episode met ongecontroleerde bewegingen in een deel van of het lichaam of het hele lichaam. Het kan gepaard gaan met bewustzijnsverlies of verlies van controle over lichaamsfuncties. Toevallen kunnen variëren van een zeer korte terugval in de aandacht of kleine spierschokken tot ernstige en langdurige stuiptrekkingen. De frequentie verschilt per patiënt, van minder dan één keer per jaar tot meerdere keren per dag.

Een groot deel van de sterfgevallen die met epilepsie te maken hebben is mogelijk te voorkomen. Dit omdat ze vaak worden veroorzaakt door valpartijen, verdrinking of brandwonden; niet door de aanval zelf.


Wie krijgt ermee te maken?

Tot één op de 10 mensen krijgt ooit in zijn leven een epileptische aanval. Een enkele aanval betekent nog niet dat er sprake is van epilepsie, omdat aanvallen ook andere oorzaken kunnen hebben. Epilepsie wordt meestal vastgesteld na twee of meer niet-uitgelokte aanvallen binnen een bepaalde periode. En wanneer een arts denkt dat er een grote kans is op nieuwe aanvallen.


Tekenen en symptomen

De kenmerken van een aanval verschillen per persoon en hangen af van waar in de hersenen de verstoring begint en hoe ver deze zich verspreidt. De twee belangrijkste soorten epileptische aanvallen zijn:

Focale aanvallen, die slechts één deel van de hersenen treffen.

  • Tekenen zijn onder andere herhaalde kleine of grote bewegingen, zoals kleine schokkende bewegingen of rondjes lopen.
  • Andere tekenen en symptomen kunnen zijn: tijdelijk verlies van bewustzijn of alertheid, veranderingen in zintuigelijke waarnemingen (flitsende lichten zien, vreemde geuren of smaken, of tintelingen) of een verandering in stemming of andere cognitieve functies.
  • De meeste focale aanvallen duren enkele seconden tot enkele minuten.

Gegeneraliseerde aanvallen (tonisch-clonisch genoemd), die beide hersenhelften beïnvloeden. Ze zijn het type aanval zijn dat de meeste mensen herkennen.

  • Kan in eerste instantie beginnen met een pauze, een starende, lege blik en een kort verlies aan alertheid, waarna de persoon het bewustzijn verliest, op de grond valt, een geluid maakt en mogelijk op de tong of binnenkant van de mond bijt. Dit is de “tonische fase”.
  • De “clonische fase” is het meest herkenbare type aanval: de ledematen bewegen hierbij snel en ritmisch. Er kan sprake zijn van verlies van controle over blaas of darmen en een tijdelijke ademstilstand waardoor de lippen of de mond blauw kunnen verkleuren.
  • Dit type aanval duurt meestal één tot drie minuten.

Eerste hulp bij toevallen

Het belangrijkste is om bij de patiënt te blijven en hem te beschermen tegen letsel. En vervolgens om hem gerust te stellen en te troosten.

Bij focale aanvallen:

  • De patiënt weet soms niet dat hij een aanval heeft. De aanval kan beangstigend en verwarrend zijn, dus blijf rustig en stel gerust.
  • Blijf bij de patiënt tot hij volledig hersteld is. Ze kunnen zich na de aanval een tijdje verward en onvast voelen.

Voor tonisch-clonische aanvallen:

  • Als iemand een aanval heeft, is het belangrijk om kalm te blijven, bij hem te blijven en de duur van de aanval te meten.
  • Als de patiënt stuiptrekt, haal dan gevaarlijke voorwerpen weg, ondersteun het hoofd en maak strakke kleding rond de nek los. Probeer de persoon NIET tegen te houden of de bewegingen te stoppen. En stop niets in de mond.
  • Kijk of de persoon een epilepsie-identiteitskaart of medische medaillon bij zich heeft, want dit kan informatie geven over zijn aanvallen en wat je moet doen.
  • Het is mogelijk dat de patiënt de controle over de blaas of darmen verliest. Gebruik dan een lichte deken of kledingstuk om hem te bedekken. Houd omstanders op afstand.
  • Zodra de stuiptrekkingen gestopt zijn, controleer je de luchtwegen om er zeker van te zijn dat er geen braaksel of speeksel in zit.
  • Blijf bij de persoon tot de aanval voorbij is en hij volledig hersteld is. Praat rustig met hem en leg uit wat er is gebeurd.

Bij sommige mensen kan er sprake zijn van meer dan één type aanval. En een aanval kan van het ene type overgaan in een ander type.


Wanneer de hulpdiensten te bellen

Het is belangrijk dat je weet dat de meeste mensen geen spoedeisende, medische hulp nodig hebben als ze een aanval krijgen. En dat sommige mensen noodmedicatie hebben om langdurige aanvallen te stoppen. Bel de medische hulpdiensten wel als:

  • het de eerste aanval is;
  • de aanval langer duurt dan vijf minuten;
  • de persoon moeite heeft met ademhalen of blauw wordt;
  • de persoon zichzelf heeft verwond tijdens de aanval;
  • de persoon niet bijkomt of verward blijft na de aanval.

Lesgeven in eerste hulp bij epilepsie

Een korte bespreking van vijf minuten over epilepsie aan je EFR-cursussen kan je deelnemers helpen om iemand in nood te helpen door letsel of zelfs de dood te voorkomen. Informatie over eerste hulp bij epilepsieaanvallen vind je in het hoofdstuk over noodgevallen in het deelnemershandboek van de EFR-cursus in primaire / secundaire zorg of in eLearning, onder Aanvallen.


Aanbevolen Verhalen